29-06-07

Weefsnitje en de dweven zergen ...

Vanavond gingen mijn ventje en ik een hapje eten in 't ideaal - een restaurantje waar we graag vertoeven.

Ik ben geen 'drinker' en meestal houd ik het maar bij 1 glaasje witte wijn  - zo ook vanavond!

Tenminste, dat denk ik toch...

Onder de borden lag deze keer een onderlegger met daarop een paar figuurtjes die ik meende te herkennen: sneeuwwitje en hier en daar een dwergje - een beetje 'flou' gedrukt - en een tekst erop.

Ik dacht: "die neem ik mee om ooit eens voor te lezen aan Rune."

Nu zit ik hier net die tekst te lezen maar ik begrijp er geen bal van. Misschien heb ik dan toch een beetje te veel wijn gedronken deze keer?? Of misschien ben ik wel dat sprookje verleerd?? Oefenen dus, veel oefenen nog...

Lees maar eens mee!

Weefsnitje en de dweven zergen

Er leefde eens, veel her weg in een krachtig pasteel, een scheel

hoon meisje en dat scheel hoon meisje heette Weefsnitje.

Maar in dat krachtig pasteel woonde nog iemand: de biefstoeder,

de moze biefstoeder van Weefsnitje.

En iedere dag trok zij haar kloenste scheetje aan, en dan ging ze

voor het wiegeltje staan, en dan zei ze: “Wiegeltje,

Wiegeltje aan de spand, wie is de vroenste schouw van lans het gand?”

En dan antwoordde dat wiegeltje: “Biefstoeder, je bent scheel hoon, maar

Weefsnitje is muizendschaal doner dan jij.”

En dan werd die moze biefstoeder beeds stozer.

En op dekere zag, ging zij vrorgens smoeg naar de joze bager. “Joze bager” zei

ze, “jij gaat Weefsnitje nidkappen en haar achterlaten in het wonkere doud.”

En de joze bager, de leersmap, die had een klare zijk op de kaak. Hij was vroeger

nog matroos geweest en had zeven jaren op zijn slip gescheten.

De joze bager dus sprong op zijn perk staard, pakte zijn wietgescheer en met zijn

klatte zoten smeet hij Weefsnitje in het wuikgestras.

En Weefsnitje, ocharme, zat daar te schruilen van de hik.

Het zat daar vol met woute stolven. Maar toen kwamen

daar uit het heupelkrout de dweve zergjes die ergens wiep in het doud in een

harig kutje woonden. Zij zagen Weefsnitje liggen en, met verkrachte eenden,

brachten zij Weefsnitje naar een haddenstoelen puisje.

Toen kwam daar opeens de prone schins voorbij, ook al pezeten op een

perk staard, eigenlijk een pimmelschaard.

Hij zag Weefsnitje liggen, want zij lag daar in een klazen gist. Zij had zich immers verslikt in een fut struik van de houte steks.

En de prone schins werd natuurlijk zapelstot van Weefsnitje; hij streek haar kak in de ogen en muste haar recht op haar kont. Hij nam haar mee, zij trouwden veel en hadden lange kinderen en gaven een groot kannepoekenfeest.

Misschien ga ik toch maar beter slapen nu... ook een goede nacht allemaal.